Gratis verzending naar België vanaf € 50

Over Odar

Roger Vandevyvere, de drijvende figuur achter Odar Mode, zijn verhaal.

Het verhaal van odar

Vooraleer ik over het ontstaan van Odar vertel, wil ik eerst vertellen over het leven van mijn vader, Roger Vandevyvere. En vooral over zijn jeugdjaren. Anders zullen deze rijke en kleurrijke verhalen niet aan bod komen, omdat ze zouden worden opgeslokt door het verhaal van Odar. En hij was ten slotte ook één van de drijvende figuren achter dat verhaal.

Roger Vandevyvere, de drijvende figuur achter Odar Mode, zijn verhaal.

Mijn vader was wees. Hij verloor zijn moeder op 7-jarige en zijn vader op 12-jarige leeftijd. Daarom werd hij bij zijn grootouders opgevoed. Zijn grootvader was scharenslijper in Parijs. Soms verbleven ze daar 6 of 8 maanden. De rest van het jaar kwamen ze dan opnieuw in Houthulst wonen. Zo ging hij een deel van het schooljaar naar school in Parijs en de rest van het jaar in Houthulst, wat uiteraard niet eenvoudig was. Hij durfde dan ook de frère - zijn leerkracht was een broeder - erop wijzen dat hij ‘persoon’ verkeerd schreef op het bord. Gelukkig zag die leerkracht snel het probleem en schreef naast ‘persoon’ ook ‘personne’. Waarop hij wees dat het ene Nederlands en het andere Frans was. Tijdens de eerste wereldoorlog waren heel wat Houthulstnaren gevlucht. In Colombes, een voorstad van Parijs, hadden ze hun nieuwe stek gevonden. Het was er een getto van Vlamingen. In het café op de hoek, ‘Les quatre Chemins’, hoorde je op zondag enkel Vlaams. Daar lag de roots van mijn vader, maar ook de start van het leuren. De hele familie bleef in Frankrijk leuren. Nonkels, neven, nichten, zijn tot hun pensioen op de Franse markt goederen blijven verhandelen. Toen ze met pensioen gingen is mijn vader samen met zijn grootouders terug naar België gekomen en van toen af is hij hier gebleven. Hij was 18 en stond er alleen voor.

Al op 14-jarige leeftijd, na zijn schooltijd, ging hij werken. Eerst op het erwtenveld en daarna bij de koordedraaier. Tijdens de oorlogsjaren ’40-‘45, wanneer het werk schaars werd, begon mijn vader een leurhandel. Onder de vleugels van nonkel Wies (Aloïs Schoolaert), de broer van zijn mama, kon hij starten. Nonkel Wies had een leurkaart met textiel, wat niet evident was, en mijn vader kreeg een hulpleurkaart, zonder textiel. Een spoedopleiding ‘Hoe verkoop ik deur aan deur?’ van 2 dagen moest volstaan om te starten. Uitgebreide cursussen marketing en verkoop waren er niet. Je deed het op je eigen gevoel.

In het begin verkocht hij niet veel. “Ik was veel te verlegen”, zei hij daarover. Men dacht dat het niet zou lukken, want na 6 weken wilden ze hem opnieuw ergens in het werk steken. Toen was zijn besluit snel gemaakt en heeft hij doorgezet. Maar wie vertrouwt er nu een snotneus van 16 jaar? Naarmate hij bleef volhouden en beleefd en zonder aandringen zijn goederen presenteerde, viel men uiteindelijk toch voor die charmante jongen met zijn fiets. En zo begon mijn vader zijn commerce. Er was ook schaarste in het aanbod dus werd er verkocht wat te vinden was op de markt: zeep, manden, borstels, luiers, handdoeken… Hoe geraak je in oorlogsjaren aan artikelen om te verkopen? Er waren groothandels in Roeselare, waar hij met zijn fiets naartoe reed. Bij een bepaalde leverancier wilde hij iets aankopen, maar de vrouw van de handelaar zei in het Frans tegen haar man dat hij niets moest geven aan zo’n snotaap, waarop mijn vader beleefd in het Frans antwoordde dat ze hartelijk bedankt waren. Ze hadden niet verwacht dat hij perfect Franstalig was en liepen dan ook rood aan. Op die manier zocht hij de goede en de slechte leveranciers en na een tijdje was hij vertrokken.

Ivonne Odaert, Het échte verhaal achter Odar Mode.

Irma Bol enJerome Odaert, mijn grootmoeder en grootvader, leerden elkaar kennen tijdens de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk. Toen de oorlog uitbrak was mijn grootmoeder 17 jaar, mijn grootvader was een paar jaar ouder. In 1920 trouwden ze. 

Ze kregen 5 dochters: Maria, Maddeleine, Germaine, Ivonne en Jeanne. De meisjes werden allemaal geboren tussen 1922 en 1929. Mijn grootvader zei: ‘De eerste komen met wolle en de rest zonder wolle’. Daarmee wilde hij zeggen: ‘De eerste komen met volle wil en de rest komt vanzelf’. Irma en Jerome waren een ondernemend koppel. Ze kenden maar één richting: vooruit. In 1923 kocht Jerome het huis in de Jonkershovestraat 32, wat later de locatie van de eerste winkel zou worden. Op de acte stond vermeld: ‘De puinen van een woonhuis met gerieven, gestaan en gelegen te Clercken Houthulst.’ Mijn grootvader was metser van beroep. Het bouwen van een nieuwe woning was voor hem een kleine moeite.

Om aan de kost te komen zocht hij bouwwerven op. Hij bood er zijn diensten aan en kon op die manier zijn stiel beoefenen. Soms was het niet eenvoudig om dicht bij huis een werf te vinden. Dan moest hij het verder zoeken dan in Houthulst en directe omgeving. In het jaar 1933 hielp hij meebouwen aan het modernistische boothotel ‘de Péniche’ in Oostduinkerke. Toen moest hij eerst 32 km fietsen vooraleer hij aan zijn werk kon beginnen. Iedere ochtend vertrok hij heel vroeg. Eén van de meisjes moest dan het licht aan zijn fiets aanmaken. Dat gebeurde met een carbuurlamp. Het waren zware en harde tijden. Na een hele dag hard labeur moest hij diezelfde afstand terug naar huis afleggen.

Mijn grootmoeder was naaister en werkte heel precies. De dochters kwamen steeds ‘uit een doosje’. Mijn grootmoeder leerde hen het vak. In die tijd was het de gewoonte om op 14-jarige leeftijd de school te verlaten. De meeste jonge dames gingen aan de slag als dienstmeid bij rijke families. Mijn moeder, Ivonne, die de voorlaatste in de rij was, ging samen met haar oudere zussen in dienst. De jongste, Jeanne, kreeg van haar doopmeter de kans om te gaan leuren. Het was midden in de oorlog en veel goederen om te verhandelen waren er niet. Maar Jeanne was een doorzetter. Mijn grootvader vond het maar niets dat ze niet ging dienen zoals de rest van de meisjes, maar dat ze als 14-jarige met de fiets ‘de baan’ deed . Hij daagde haar dan ook uit: iedere frank die ze meer verdiende dan hij mocht ze sparen voor een nieuwe fiets. Al snel had ze die.

Van leuren tot confectioneren: het atelier van de familie odaert.

Het was oorlog en in het begin van haar leurhandel verkocht Jeanne allerlei producten die ze in de groothandel kon kopen. Door de schaarste was er in die periode niet veel te verkrijgen: zeep, borstels, manden, stoffen… Maar tante Jeanne was een ‘rappe’ commerçante: ze zag snel waar nood aan was. Aangezien haar moeder Irma Bol een goede naaister was, kochten ze stoffen die mijn grootmoeder confectioneerde. Alles werd genaaid: werkkledij, zoals broeken en vesten in lafond en couttille voor de mannen. Coutille was een grijze katoenen stof met een visgraadmotiefje en lafond was een dikke zware gemoltoneerde zwarte stof, die vooral in de winter werd verkocht. Ook handdoeken, lakens, zakdoeken of onderhemden werden gestikt. Er was geen confectie op de markt. Mijn grootmoeder had hiermee al snel een volledige dagtaak.

Mijn moeder, Ivonne, die zoals de rest van haar zussen ging ‘dienen’ (het huishouden doen) bij rijke mensen, had moeilijke bazen. Ze ‘jeunde’ haar niet op haar werk. Mijn grootvader, Jerome Odaert, zei: ‘Zou je niet beter meegaan met Jeanne? Beter twee snotneuzen op weg dan één alleen.‘ Al snel hadden ze samen een bloeiend handeltje. Mijn grootmoeder kon het werk niet meer bijhouden en al snel stopte hun oudste zus, Maria, met werken bij bakker Loïs, (bakkerij Vermeersch in Staden-reke) om in ‘het atelier van de familie Odaert te werken. Op een dag bezochten ze een boerderij en de boerin had nog een schoon stuk stof liggen om hemden mee te maken, maar door het vele werk was ze daar nog niet in geslaagd. De zusje stelden voor om het stuk stof mee te nemen en thuis door hun moeder Irma te laten verwerken. Een paar weken later gingen ze de hemden afleveren. De landbouwster huilde van geluk toen ze de leurdertjes terugzag met de opgemaakte hemden. Haar man had haar berispt. Volgens hem zou ze haar stuk stof nooit meer terugzien. Die twee jonge meisjes zouden die stof nooit terugbrengen, want zij waren niet in staat om daar hemden van te maken. Vanaf toen waren ze niet alleen altijd welgekomen bij die landbouwersvrouw, overal kregen ze de reputatie eerlijk te zijn.

We zijn nu aan het einde van de tweede wereldoorlog gekomen. Het waren rare tijden, er was veel (zwart) geld op de markt en de goederen waren schaars. Het gevolg was dat de prijzen hoog waren. Camille Gutt, toenmalig minister van Financiën, vroeg bij alle Belgen het geld op. Zo wilde hij de inflatie tegengaan. De oude Belga’s werden omgeruild voor Frank. Je kon maximum 2.000 frank (= 400 oude Belga) per gezinslid omwisselen. Wie meer had dan dat, zag zijn geld vastgezet worden. Grootvader Jerome was Gutt voor. Met het grootste deel van zijn resterende contanten kocht hij ‘kloefen’ (klompen). Niet dat mijn grootvader erg rijk was, maar zoals alle Belgen toen, had hij schrik om zijn welverdiend spaargeld te verliezen. Op die manier had hij zijn centen omgezet in goederen die hij daarna kon recupereren. Klompen waren in die tijd erg in trek om mee op het land te werken. Het was blijkbaar een artikel dat vlot ‘in de handel’ was.

Mijn grootvader zag iets in het handeltje van de twee zusjes en besliste om de leurhandel te versterken door een winkel op te richten. En zo begon 70 jaar geleden de eerste winkel van Odar (Odaert).

1940/45 de oorlogsjaren, Het échte verhaal achter Odar Mode.

Stel je voor: het is oorlog, het land is bezet door de vijand. Om toch de kost te verdienen stuur je jouw dochters – amper veertien en vijftien jaar oud – met hun fiets en goederen op stap. Die moeten ze op de boerderijen, deur aan deur, verkopen. Ik kan me niet voorstellen dat mijn dochters dat op die leeftijd zouden moeten doen. Maar voor mijn moeder en tante was het de normaalste zaak van de wereld. Hoe moeten mijn grootouders zich daarover gevoeld hebben? Dat vraag ik me soms af. Want in hoeverre kon je de bezetter vertrouwen dat hun meisjes niets zou overkomen?

De dochters Odaert groeiden op tijdens die oorlogsjaren. Mama Yvonne en tante Jeanne waren de jongste twee van het nest van vijf dochters. Mama was twaalf en tante Jeanne was elf jaar toen de oorlog uitbrak, ze waren zeventien en zestien toen die eindigde.

Tijdens die jeugd-jaren, die wij nu puberteit noemen, was het oorlog, maar toch ging het dagelijkse leven zijn gang. Tijd om te puberen was er niet. Toch waren de meisjes van Odaert ook levenslustig. Ze dansten graag en ze zochten vertier, net als de jongeren van vandaag. Bij ‘de koordedraaiers’ hadden ze een grammofoon, wat in die tijd zeer zeldzaamwas. Polle van de koorde-draaiers kon goed dansen. Mijn moeder hield van dansen en Pol leerde alle pasjes aan de jonge meisjes. Elke zondagnamiddag was hun dansnamiddag. Een hele meute jonge gasten kwam toen samen om zich te amuseren. Eén van de eerste jobs van mijn vader Roger was koordedraaier, voor hij begon te leuren. Mijn vader werkte samen met Pol en werd daarom ook uitgenodigd om op zondagnamiddag te gaan dansen. Ik denk dat hij heel veel aan de zijlijn heeft gestaan en gekeken hoe er werd gedanst. In al die jaren dat ik hem al ken heb ik hem altijd zien dansen met twee linkse voeten, tot spijt van mijn moeder. Maar toch wist hij haar aandacht te trekken, ook al was hij geen succesvolle danser. Op die bijeenkomsten sloegen de eerste vonken over.

Een tijdje later ging mijn vader ook met zijn fiets de baan op om deur aan deur zijn goederen te verkopen. Was het toeval of niet, ik weet het niet, maar hij kwam vaak de zusjes Odaert tegen. Mijn moeder was eerder het verlegen type en ik kan mijn niet voorstellen dat mijn vader anders was. Maar op een dag kwam dé gelegenheid. De zusjes waren druk bezig met ‘de commerce’, vooral richting Merkem en Noordschote. De wegen waren in erbarmelijke staat. Lek rijden was dan ook schering en inslag. Op een namiddag was het weer van dat. Zo stond mijn moeder daar met een lekke band. En toevallig passeerde Roger Vandevyvere. Roger, die al een tijdje een oogje had op ‘Vondje’, bood aan om haar fiets naar huis te dragen terwijl zij met zijn fiets naar huis kon rijden. Vanaf toen was mijn toekomst verzekerd.

Het is fantastisch, zo denk ik vaak, dat jonge mensen tijdens oorlogsjaren toch nog kunnen genieten van ‘gewoon jong zijn’ en dat ze nog geloven in een toekomst...

De oorlogsjaren zijn achter de rug.

De oorlogsjaren zijn achter de rug. Het land is in wederopbouw. Op het einde van 1948 lag de productie in België alweer even hoog als voor de oorlog. Zeker ook dankzij de financiële hulp van de Verenigde Staten via het Marshallplan. Of dat voor een rechtstreekse boost in de commerce van mijn grootouders heeft gezorgd weet ik niet. Maar zonder twijfel was het goed voor het algemeen welzijn en werd de koopkracht van hun klanten er beter door. De zaken gingen goed, maar er was een ander probleem…

De vijf dochters hadden allemaal een lief gevonden. In die tijd was het de gewoonte dat de vrouw haar man volgde. Daardoor liep het gezin plots snel leeg.

Maria, die hielp confectioneren met mijn grootmoeder, trouwde met Hilaire Theuninck, een schoenmaker van beroep. Samen opende ze in Klerken een schoenenwinkel.

Madeleine, de enige dochter die niet meegeholpen had in de zaak, trouwde met Alfons Verlinde uit Izegem. Ze gingen daar wonen en ze trok in bij de familie Debrabandere uit Beitem om er als bediende te werken. De familie verhuisde later naar Brugge maar zij is haar hele loopbaan de familie trouw gebleven.

In 1950 trouwden zowel Jeanne als Ivonne. Jeanne trouwde met Noël Noyelle en verhuisde naar Oostende. Het was zij die samen met mijn grootvader op de baan ging. Daardoor stond hij er plots alleen voor. Als bij toeval verhuisde de werkgever van Germaine naar Moorslede. Zij volgde haar werkgever niet, zoals Madeleine, zodat zij Jeanne kon vervangen op de leudersronde.

Maintje was een heel andere persoonlijkheid dan Jeanne. Ze was altijd vrolijk, maakte graag een grap, was nooit vies of ontgoocheld als ze niet veel verkochten. Voor mijn grootvader was dit een verademing. Ze gingen toen ook nog altijd met de fiets leuren. Op een dag stelde ze haar vader Jerome voor om een auto te kopen. Hij wilde dat wel doen, maar hij vroeg zich af hoe lang ze nog thuis zou blijven. Ze had namelijk ook een lief, eveneens een schoenmaker, Etienne Vanhaelewijn. Toch slaagde ze erin hem te overtuigen en begin de jaren 50 kochten ze hun eerste auto, een Hielman. Ze leerden rijden van Georges Coppernolle. In het begin liep dit niet van een leien dakje want tijdens het oprijden van de inrit haperde ze al met de auto aan de muur. Dat was meteen haar eerste deuk.

Zoals ik eerder zei trouwde mijn moeder ook in 1950 met Roger Vandevyvere, die ook leurder was. Ook zij verliet het ouderlijke huis, waardoor mijn grootmoeder alleen stond met de confectie. Meer en meer kon je in groothandels opgemaakte waren kopen. Meestal gingen ze naar Roeselare, waar ze hun aankopen bij Plancke deden. Ze kochten ook dichter bij huis.  Martha Desplenter, echtgenote van Daniël Demonie, uit de Hageputstraat had een briemachine. Ze breidde sokken en daar bestelden mijn grootvader en tante hun kousen.

Tante Main is dan toch in 1952 getrouwd met nonkel Etienne, maar ze is de leurdersstiel nog lang trouw gebleven. Ze was zeker meer dan 70 jaar toen ze ermee stopte. De belofte aan haar vader om nog lang door te gaan met leuren, zodat ze haar auto kreeg, heeft ze gehouden. Momenteel is ze 90 jaar en tot voor kort kon je haar in Houthulst en omstreken nog altijd met haar auto zien rijden.

Het werd stil ten huize Odaert

Alle dochters waren getrouwd. Het bruisende leven van vijf jonge dames - en van hun geliefden die elke zondag over de vloer kwamen - viel plots stil. Maria begon een schoenenwinkel en een schoenmakerij samen met haar man, Hilaire. Samen kregen ze vier kinderen. Drie zonen: Etienne, Pol en Luc. En een dochter: Mia.

Madeleine trouwde met Alfons, zwierf uit naar Izegem en had geen kinderen. Jeanne, die begonnen was met leuren, stopte de handel om samen met haar man Noël naar Oostende te verhuizen. Zij kregen samen één dochter: Sabine.

Germaine trouwde in in de Schoenmakerij van haar man Etienne Vanhaelewijn, in de volksmond gekend als ‘Stampers’. Toch bleef ze samen met haar vader leuren. Samen hadden ze één zoon, Jan, die tot op heden schoenmaker is en een schoenenwinkel uitbaat. Hij heeft zich gespecialiseerd in orthopedische schoenen en steunzolen.

Mijn moeder, Ivonne, trouwde ook met een leurder: Roger Vandevyvere. Zij deden samen de handel. Mijn moeder confectioneerde en mijn vader ging op de baan. Eerst met zijn velo, dan met zijn moto en daarna met zijn auto. Begin jaren ’50 werden mijn zussen geboren, Christine en Myriam. Ik kwam later.

Toen sloeg het noodlot toe

Mijn grootvader Jerome, die samen met Germaine de baan op ging, had nu en dan eens problemen met zijn gezondheid. Regelmatig had hij last aan zijn maag. Soms werd hij misselijk en kreeg hij maagzuur. Op een bepaald moment begon hij ook veel gewicht te verliezen en er werd aan de alarmbel getrokken. De diagnose was onomkeerbaar: maagkanker.

Het was 1954 toen een behandeling werd opgestart. Dat kon je in die tijd niet vergelijken met wat vandaag kan. De overlevingskansen voor mijn grootvader waren heel klein. Maagkanker kwam in die tijd vaak voor. Er bestonden nog geen koelkasten. Mijn grootvader Jerome kweekte zelf een varken en het vlees werd gepekeld om het te bewaren. Dat was vaak een oorzaak van maagkanker. Tijdens de ziekte van Jerome bleven hij en Germaine leuren. Hoe meer de ziekte van mijn grootvader zich meester maakte van zijn gezondheid, hoe minder hij nog mee kon op de baan. Mijn tante moest dus vaak alleen gaan leuren. Om de last wat te verminderen ging haar man, nonkel Etienne, ook nu en dan mee. Uiteindelijk namen tante Main en nonkel Etienne de leurdersstiel volledig op zich. Jarenlang gingen ze in de voormiddag op de baan, om dan in de namiddag de schoenenwinkel open te houden en de herstellingswerken van de schoenen te doen. Die leurdershandel van mijn nonkel en tante stond volledig onafhankelijk van de winkel die mijn grootmoeder verder uitbaatte.

Mijn grootvader stierf in februari 1957. Hij was toen 62. Daarmee was de oprichter en drijvende kracht achter Odar er niet meer.

Irma wilde de zaak een nieuwe boost geven...

Het verdriet was groot na het overlijden van mijn grootvader, stichter en bezieler van de winkel en de leurhandel. Alle kinderen waren ondertussen getrouwd en hadden het huis verlaten. Daardoor stond mijn grootmoeder Irma er helemaal alleen voor bij het runnen van de winkel. Daar had ze de kracht en passie niet meer voor, nu haar verdriet zo groot was. Zij was vooral goed in het naaien van de kleren, niet zozeer het commercialiseren van de winkel.

Tante Main en nonkel Etienne van de schoenenwinkel Stampers zetten de leurhandel verder. Die hadden ze van mijn grootvader overgenomen nadat hij ziek was geworden.

Mijn ouders - Roger en Ivonne - hadden ook een leurhandel. Mijn vader ging op de baan en mijn moeder confectioneerde. Eind de jaren ‘50 kon je meer en meer ‘opgemaakt’ kopen, waardoor het naaiwerk verminderde. Daardoor kreeg mijn moeder Ivonne meer ademruimte en ging ze regelmatig helpen bij haar moeder in de winkel. Steeds vaker verkocht zij de kleren en al snel kwam het voorstel om samen met haar man Roger bij haar moeder Irma te gaan inwonen en de winkel over te nemen.

 

Mijn grootmoeder wilde de zaak toen een nieuwe boost geven. Ze zou de winkel verbouwen en uitbreiden. Eind 1959 startten de bouwwerken. Tijdens het opruimen van het huis bij mijn ouders heb ik nog al de oude facturen van de verbouwingswerken gevonden. De loonkost was toen tussen de 30 en 42 Belgische frank. Mijn moeder was zeer efficiënt in het bijhouden van rekeningen. Daardoor weten we vandaag nog hoeveel de verbouwing heeft gekost.

Zoals je op de foto’s kan zien kwam er centraal een nieuwe ingang en langs beide zijden twee grote vitrines. De vroegere woonkamer werd winkel waardoor de oppervlakte verdubbelde. Een grote lange toonbank werd geïnstalleerd en er kwam een totaal nieuwe inrichting. Hiervan
hebben we ook nog de originele factuur teruggevonden. De oude winkel werd de leef- en werkruimte voor mijn grootmoeder. Tot aan haar overlijden in 1982 was dit haar ‘plekje’. Overdag woonde en werkte ze daar. Het was een strategische plek: van daaruit kon ze alles volgen wat er in de winkel gebeurde en veel klanten brachten haar daar een bezoekje.

Het waren voor mijn ouders tijden met een grote toekomst. In het jaar 1960 werd de verhuis een feit, mijn ouders en zussen Christine en Myriam verhuisden vanuit de Jonkershovestraat 44 naar nummer 32. Mijn oudere zussen herinneren nog levendig hoe alles met karren werd  versleept.

Datzelfde jaar werkten mijn ouders ook aan de toekomst van Odar, want begin 1961 werd een nieuwe baby verwacht

Was het een godsgeschenk of een accident?

Toen mijn ouders in 1960 de zaak van mijn grootouders overnamen waren mijn zussen Christine en Myriam respectievelijk 8 en 7 jaar oud. Voor het gezinnetje kwamen er stabiele tijden. Mijn ouders zagen een mooie toekomst voor zich, samen met hun twee meisjes. Ze voelden zich gesetteld en zorgeloos.

Was het een godsgeschenk of een accident? Hoe dan ook, de stabiliteit werd even aan wankelen gebracht door een nieuwe zwangerschap. Totaal onverwacht en in een euforie van de overname en de verhuis naar de nieuwe winkel bood zich een nieuwe baby aan.

Als bij toeval werd mijn tante van de schoenenwinkel Stampers, die de leurhandel van mijn grootvader verderzette, na 8 jaar huwelijk plots ook zwanger. Die zwangerschap zorgde voor een band tussen de zussen Yvonne en Maine. Ze speculeerden over de minuscule wezentjes die in hun buik aan het groeien waren. Wie verwachtte er een jongen en wie een meisje? De stille wens van mijn ouders na twee dochters was waarschijnlijk een zoontje, terwijl het bij tante Main en nonkel Etienne om het even was, omdat het hun eerste baby zou zijn.

 

Zo deden ze geregeld hun aankopen bij de firma Leoen in Roeselare. Daar hadden ze een dochter en een zoon, en die heetten Jan en Bernadette. De beide zussen vonden dat mooie namen en beslisten om hun kinderen Jan of Bernadette te noemen, als het een jongetje of een meisje zou worden.

Omdat er toen nog geen echografie bestond, konden ze totaal niet voorzien wie er een zoontje of een dochtertje zou krijgen. Misschien brachten ze allebei ofwel en zoon of een dochter ter wereld?

Maar ook hier opnieuw was het geluk aan hun kant. Ze hebben niet moeten discussiëren om de namen. In februari 1961 beviel mijn moeder van een dochtertje met de naam Bernadette. Drie weken later beviel mijn tante van een zoontje met de naam Jan.

Als kakkernestjes van de familie zijn we lang onafscheidelijk als Jantje en Bernadetje door het leven gegaan.

De zussen deelden niet alleen hun ervaringen over hun zwangerschap, ze gingen ook vaak samen op stap om inkopen te doen. Bij mijn ouders om de spullen te verhandelen in hun winkel, bij mijn tante om ermee te gaan leuren. Er waren toen veel groothandels in Roeselare waar ze hun goederen gingen aankopen.

Inschrijving in het handelsregister

We zijn begin de jaren 60. Het gezinnetje is nu compleet, de start in de nieuwe winkel is gezet. Door de economische groei na de oorlog en de welvaart hebben mijn ouders het nu ook beter.

Mijn moeder runt de winkel en mijn vader doet nog steeds zijn leurdersronde. In het eerste verhaal heb ik beschreven hoe hij als wees startte met leuren onder de vleugels van zijn nonkel Wies (AloÏs), om in 1947 zelf de commerce te doen.

De documenten van de inschrijving in het handelsregister ( Opgave van Hoofdinschrijving ) in Veurne dateren van 27 augustus 1947. Hij was toen 21 jaar. De aard van het bedrijf of van de handel werd omschreven als verkoop van textielwaren en borstels.(zie foto)

Op dat moment had hij zijn eerste eigen leurderskaart.( zie foto)

Mijn papa is dan ook heel bescheiden begonnen met zijn fiets. Zoals op vandaag veel globetrotters voor hun plezier de wereld rond fietsen met hun trekkersfietsen met bagage vooraan en achteraan, zo trok mijn vader in de streek met pakken op zijn fiets, om zijn brood te verdienen. Zelfs zijn middenkader werd verstevigd met een extra buis om ook daar een pak op te leggen. Iedere dag moest hij de fiets op om vanuit Houthulst naar de verschillende windstreken te vertrekken om te verkopen.

Na een tijdje leerde hij ook zijn klanten kennen en in plaats van iedere dag al die pakken mee te sleuren naar huis, mocht hij ze toen halfweg zijn rit naar huis achterlaten bij klanten die hij heel goed kende en vertrouwde. Zo kon hij het laatste stuk met minder last naar huis fietsen, om die dan s’ morgens terug op te pikken en zijn route verder zetten.

Eén van die families was de familie Depoorter in Westrozebeke. Zij woonden tussen de Spriet en Zeuge  op een boerderij. s’ Avonds liet hij daar zijn marchandise achter om die dan s’ morgens weer op te halen en vandaaruit verder te vertrekken richting Zonnebeke, Passendale, Ieper. Zo kon hij zijn afstanden verlengen en meer klanten bereiken.

Het was Martha zelf die mij het verhaal vertelde en zij was dan ook fier dat mijn vader hen zo vertrouwde. Martha is tot op het einde van haar leven een trouwe klant van Odar gebleven. Altijd kwam ze met haar fiest bij ons winkelen, zelfs op late leeftijd, zoals mijn vader in zijn beginjaren deed.

Door de verbetering van de conjunctuur en de levensomstandigheden kon hij na een tijdje zijn velo inruilen voor een moto, om die daarna ook te veranderen in een auto. Zijn eerste wagen was een VW kever.

Wij vinden nu dat alles, met de komst van de informatica, heel snel evolueert, maar toen ging het toch ook snel, zowel letterlijk als figuurlijk. Hij kon nu nog meer en verdere klanten bereiken en zo groeide zijn cliënteel vlug aan.

Ook de VW kever werd te klein en werd vervangen door een grotere wagen, een Opel Olympia Record ( zie foto van mijn ouders en zussen bij de auto) . Bij ons thuis was het criterium om een wagen aan te kopen niet…. een schoon kleur of een bepaald merk of een statussymbool, bij ons thuis was de aankoop afhankelijk van de grootte van de koffer, want er moest veel ruimte zijn voor de goederen.  ( wordt vervolgd).

Om tijdens de leurdersronde meer goederen te kunnen aanbieden, maar ook om meer klanten te kunnen bereiken, was het belangrijk om een auto te hebben. Na eerst een VW en daarna een Opel Olympia Record werd midden de jaren ’60 de Record vervangen door nog een groter exemplaar. 

Omdat de grootte van de auto belangrijk was voor de commerce werd een kleine camionette Tempo aangekocht. Deze bestelwagen werd volledig aangepast aan de verkoopactiviteiten. De achterbank werd gedemonteerd en in de wagen zelf werden banken aangebracht; zodat de goederen daarop konden worden gestapeld. Voor mijn vader was dat een hele verademing. De werkkledij lag aan de ene kant, de lakens en handdoeken aan de andere kant. In het begin was er in het midden een gang vrij zodat hij veel vlotter aan de goederen kon, waardoor hij alles ook sneller kon vinden. Naarmate de tijd verstreek en er nog meer vraag was naar verscheidenheid van artikelen, werd de middelgang ook ingepalmd. Deze goederen (slaapkleren, combinaisons, ondergoed……)  werden per soort in bananendozen ingepakt en gestapeld. Het kleine betelwagentje zat opnieuw propvol.

Een tweede gezinswagen was er niet. Daardoor konden we op de zondagen geen uitstapjes meer doen met het hele gezin. Papa zag het niet zitten om iedere zondag de hele bestelwagen te ontruimen. Ook het installeren van de achterbank was een hele klus. Het was geen kliksysteem zoals die nu bestaan, maar de bank moest worden bevestigd  met moeren aan de vloerplaat. Je kunt je voorstellen dat dit niet onmiddellijk gefikst was. Soms was dit wel eens een punt van discussie.

Toch herinner ik mij nog een uitstap met de Tempo camionette. Mijn moeder had mijn vader er van kunnen overtuigen om de bestelwagen leeg te maken en de achterbank opnieuw te monteren. We zouden een uitstap maken met de overzetboot in Breskens naar Middelburg. Waarschijnlijk vond hij het ver en lang genoeg om daarvoor de moeite te nemen, het was ten slotte naar het buitenland dat we gingen. Het is iets die me nog steeds is bijgebleven. Het hele gezin met de auto op de boot, om het miniatuurdorp in Walcheren te bezoeken.

Enkele jaren later werd er een extra gezinswagen aangekocht, een Opel Rekord. Daardoor waren de discussies, omwille van de uitstappen op zondag, geluwd. We konden nu zonder de Tempo te ledigen eens extra op uitstap gaan.

De zaak groeide, er werd in grotere hoeveelheden aangekocht. Mijn vader was ook altijd op zoek naar de beste aankopen, de betere leveranciers. Zo kon hij rechtstreeks bij de fabrikant zijn ondergoed kopen. Dat betekende ook dat hij moest aankopen in grote hoeveelheden. Alles werd nu per dozijnen geleverd.

In het hele huis stapelden de dozen zich op. De opslagplaats werd te klein en mijn ouders waren genoodzaakt om uit te breiden naar de slaapkamers. Op een bepaald moment sliepen we met de bruine bananendozen naast ons bed. Opeens wereld dit voor mijn moeder teveel en werden er plannen gemaakt om uit te breiden.

De koterijen werden afgebroken en op die plaats werd een nieuwe leefruimte met keuken en bijkeuken gebouwd. Het verdiep werd een magazijn. Daarnaast werd ook nog eens de garage met stallingen afgebroken en werd een nieuwe dubbele garage gebouwd. De wanden in de garage werden ook voorzien van banken waarop er daar ook voorraad kon worden gestapeld.

Opeens leek dit voor ons een zee van ruimte. We hadden heel veel mogelijkheden om te stockeren. Eindelijk, we moesten niet meer slalommen om in ons bed te geraken. Ik kreeg er ook een enorme speelruimte bij, zeker om verstoppertje te spelen.

Nieuwe ruimte betekende ook nieuwe mogelijkheden om het assortiment uit te breiden. Hoe werden er nieuwe leveranciers gevonden?

De confectie floreerde weelderig in de jaren ’60  en daarom werd er een boek uitgegeven in 1969. Dat was een soort index, met duizenden leveranciers en confectioneurs van kleding en lederwaren in de Benelux. Deze bijbel, Hallet benelux( zie foto), werd er bijgehaald. In gedachten zie ik nog vaak mijn vader ’s morgens aan de keukentafel zitten, op zoek naar interessante adressen. Namen en adressen onderstrepen om daarna op prospectie te gaan. Elke leverancier was gespecialiseerd in één bepaald artikel. Ze verkochten ofwel pulls of alleen herenhemden, anderen produceerden ondergoed. Nieuwe stoffen deden ook hun intrede: dralon, tergal, terlenka……. ( zie de affiche vanuit de Hallet).

Er waren ook heel veel groothandels die een beetje van alles deden, maar daar was het niet zo interessant om te kopen. Zij waren de tussenpersoon tussen fabrikant en winkel. Mijn vader was dan ook altijd op zoek om rechtstreeks aan de fabrikant te kopen. De hoeveelheden waren groter, maar met het nieuwe magazijn mocht dat geen probleem meer zijn.

Eén keer per  jaar was er in de maand februari een textielbeurs . De eerste beurs begon in de jaren ’60 en die vond plaats in Brussel. Dat was een heel evenement en zonder GPS was het voor ons een grote onderneming. De route werd op voorhand uitgestippeld. Als klein 6-jarige meisje mocht ik ook meegaan. Ik herinner mij niet zoveel meer van de beurs, maar wel dat we toen in het centrum van Brussel waren. Over de middag  gingen we eten in het zelfbedieningsrestaurant van de  Innovation. Dat maakte dan ook een grote impressie: het grote Art Deco-gebouw, het restaurant waar je zelf je eten kon nemen en dan verder aan een kassa moest betalen. Datzelfde jaar in mei brandde de Inno uit wat voor mij nog een grotere indruk heeft nagelaten.

De textielbeurs verhuisde in de jaren ’70 naar Gent. Die dag werd altijd vastgepind in de agenda. Het werd een jaarlijkse uitstap waar we maanden op voorhand naar uitkeken.

Om u beter van dienst te zijn, maakt deze website gebruik van cookies. Als u verder surft op deze website gaat u akkoord met het plaatsen van deze cookies.Ik snap het